De pimpelmees
De pimpelmees hij baggert dronken
dronken van verdriet en brandewijn
door het trage donker van de nacht
Het regent hij is zijn lief zijn zomerzon
zijn winterslaap zijn ankerlijn verloren
Hij omhelst het oude molenpaard een
eenzame straatlantaarn en een leren
motormuis die nors zijn motor koost
Pardon mevrouw hoe moet ik het u
nu zeggen het valt niet uit te leggen
Het goot hij was ‘n beetje vreemdgegaan
wat gevogeld met het buurmeesje dat in
vervlogen dagen naar bitterkoekjes rook
Hij zoent het paartje op de brug de
tranen aan de hazelaar en de danspoes
die op hoge poten door het park gaat
Pardon mevrouw als ik u niet ontrief
wat bent u mooi vannacht ik heb u lief
|