Duinpan
Mijn hand is een vreemdeling
dolend in de donzen rijkdom
van haar deinend landschap
mijn vingers lopen langzaam
langs geurende heidevelden
zelf ben ik allang verdwenen
‘Heb je mijn fiets op slot gezet?’
roept ze ergens ver van boven
Haar lichaam buigt voorover
ik staar in een bleke duinpan
boe gloep – boe gloep
hoor de eenzame roep
van hazen en konijnen
boe gloep – boe gloep
zie lijdzaam vlinders
en vogels verdwijnen
boe gloep – boe gloep
zie zwijgzaam vissen
adem na adem halen
boe gloep – boe gloep
Buiten hoor ik een misthoorn
de laatste veerboot komt aan
boe gloep – boe gloep
‘Mijn liefje hou je nog van mij?’
vraagt ze ergens ver van voren
boe gloep – boe gloep
|
Przewalskipaarden
Onder de donkere rhodondendrons
hervond ik mezelf weg van het feest
de lampions het palaver over niets
alleen in het licht van de vale maan
En opeens stond ze voor me in haar
scharlakenrode duffelse jas en vlijde
zich zonder aarzelen tegen mij aan
samen in het licht van de vale maan
Ben ik dit of ben ik dit niet?
‘Wat een mooie nacht’ zei
ik
‘Marlène’ zei ze
‘aangenaam’
Mijn knieën knikten en mijn lijf
schudde als een sorteermachine
Ach nachtegalen
en eenzame uilen
haal adem tussen
zingen en huilen
-/-
Ik staarde in twee gitzwarte ogen
en verdween in een peilloze diepte
Vaag ontwaarde ik traagdravende
phtaloblauwe Przewalskipaarden
aan een onheilspellende hemel van
plastic phosphoriserende sterren
En een verdwaalde venusheuvel
in geduldig pruttelende modder
Of was het - aardappelpuree?
‘Zullen we gaan zoenen?’
zei ik
‘Nee’ zei ze ‘eerst
ollekebolleke’
Ze praat als een raswififiel die
in het café met zijn muis speelt
Rabarber de barber
beent door de bocht
gerommel de trommel
staat op de tocht
-/-
Twee zoenklare kraplakrode lippen
leken haar gelaat te verlaten klaar
om plotsklaps aan te vallen dicht te
klappen als een venusvliegenvanger
Langzaam werd ik opgezogen traag
verteerd en even willoos afgezonken
Lippen lippen lippen
tien pond rond tien
pond rood tien pond
water aan de mond
Waar - waar was ik gebleven?
‘Wat ben je toch mooi’
zei ik
‘Waar denk je aan?’ vroeg
ze
Hier stond ‘Deze vraag is dodelijk’
mijn hand viel verlamd in het gras
-/-
Mijn gedachten zaten bij de tweelingenparadox
Mersennepriemgetallen en Goejanverwellesluis
vrolijk togen ze van het Antikytheramechanisme
naar de Rasumovskykwartetten van Beethoven
èn - de poëzie in
haar broekje
‘Waar denk je aan?’ vroeg
ze
‘Oef’ zei ik ‘aan
- paarden en
aardappelpuree - èn aan jou!’
Dromenkadaver
armzalig palaver
tocht in het rond
hou toch je mond
Ze lachte en keek me vertederd aan
maar in het morion van haar ogen
was de magische glans verdwenen
en ik ik kon de poëzie wel vergeten |