Slender
Billy²
De vorst verloor zijn edel
vocht
in zijn dienaren en dienaressen
in jongens en een grootvorstin
in zijn dertienjarige maîtresse
en nog tig wichten in dit dorp
Wij zijn al blij dat hij zonder
zijn paard op het plein staat
Goedenacht
eenzaamheid
Goedenacht eenzaamheid kom
binnen
ga zitten hoor de donkerblauwe stilte
neem een glas wijn en zwijg de regen
sijpelt traagzaam over zwarte ramen
Laten we gaan slapen luisteren
naar
iedere adem die ons lichaam verlaat
raak me aan zoen me en ga de regen
sijpelt traagzaam over zwarte ramen
Grafschrift
Hij kwam hij zag en stierf
aan hippopotomonstrosesquippedaliophobie
op het verlaten station van
Llanfairpwllgwyngyllgogerychwyrndrobwll-
llantysiliogogogoch
Het Korsakov
Quintet
-I-
‘Goedenavond vader’
Vaardig bevazen vlijtige vingers
de vlindergele narcissen op tafel
gulzig gaat een noeste wervelwind
over onverstoorbaar eikenhout
‘Het is voorjaar
vader’
Het bed wordt aangedaan de
lakens
vinnig dichtgeslagen het kussen in
vorm geschud en hortend braakt het
koffiezetapparaat adem na adem uit
‘Verse koffie
vaderlief?’
Zij zingt en danst door de
kamer en
scheurt de omberbruine gordijnen open
de zon schijnt in verbaasde ruiten en
buiten buiten gaat een meisje voorbij
-II-
Vader zwijgt
Het gevaarte heeft zich verschanst
in
zijn vetleren rookstoel zijn lekkende
troon zijn laatste bastion en spuugt
gestaag onweerswolken de kamer in
Gehesen in zijn morsige krijtbroek
baal van gedane driften overziet
het heerschap zijn tanend koninkrijk
en dwingt een schrijnende stilte af
‘Weet je nog
de vogels dochter?’
Hij weet haar naam niet meer
-III-
Zij zingt
Haar montere stem de verlegen
lach
in lood gevat haar halfgeloken ogen
van eenzaamheid doortrokken dijen
overtogen met eeuwig gesteven katoen
Eens was ze zonder zijn zegen
gezoend
achter de ajuinenkerk door de jongen
die graven dolf zijn zanderige hand
in haar versteende lichaam wrocht
‘Wilt U gaan
slapen vader?’
Zijn naam heeft ze niet gekend
-IV-
Zijn hoofd is een roestig landschap
een verregend plein zonder huizen
dode sporen in zwijgende kasseien
loze gaslantarens loze gotelingen
leegte leegte en gorgonisch groen
Haar hemel is
zwart van donder uit
een verzwolgen jeugd de vogels zijn
gevlogen de vlinders aangevroten
verdwenen de kinderen in het park
Verlaten straten banen zich
door
groene heuvels overwoekerd puin
verkoold hout en verwrongen staal
Alleen de donderdagavonden
zijn
gebleven omlaagdenderende blinden
daar begon het altijd mee en dan de
stilte in huis - pauken in aanslag
Dichtgeslibde rails lopen zich
vast
in tongloze wissels of in niets - zelfs
zonder sporen zijn de trams te horen
Handen noch dekens
boden haar
dekking tegen de klaroenen van de
Leichte Kavallerie van von Suppé
de oorlog die olijk in huis woedde
In grote gietijzeren putdeksels
staan
in statige regalen de geboden van
de goden gegoten ‘Gij zult doden!’
-V-
Zevenhonderd zwartbasalten
zetels
bezijden de oude steenweg bergen
rijen in wit marmer bevroren oude
mannen die met wijdopen ogen de
diepdonkerblauwe nacht in staren
Op zolder aan
haar bed geklonken
las zij de scheuren in het gips en
luisterde gespannen naar de geluiden
die volgden op de veldslag beneden
De grijsaards wachten op de
nacht
dat hun godin voorbij zal gaan met
bleke huid en heimwee op de lippen
Gordijnen het
onrustige gestommel
in de huiskamer de potloden op tafel
de klok de kast de wijn in het glas
het huilen van de man in de nacht
Dan fietst het meisje het landschap
binnen onverwacht en ongenodigd
ze zwaait ze lacht en het ontdooit
Krakende treden
de plank op de
overloop de zware adem aan de deur
log de schoot die in het slot schoof
haar deur die in haar knieren kreet
Grijze schrijfmachines slaan
hun
relaas van weging in het watermerk
van de goden ‘Gij zult begeren!’
Vakantie
Wanneer de oudste dochter van
je beste vriend in jouw tentje
aan het sjorren is terwijl jij
van schaapjes droomt dan kun
je de vakantie wel vergeten
Dan heb je een probleem
dan mag je water praten
of spagaten maken maar
elk volgend woord wordt
er minder door gehoord
De pimpelmees
De pimpelmees hij baggert dronken
dronken van verdriet en brandewijn
door het trage donker van de nacht
Het regent hij is zijn lief
zijn zomerzon
zijn winterslaap zijn ankerlijn verloren
Hij omhelst het oude molenpaard
een
eenzame straatlantaarn en een leren
motormuis die nors zijn motor koost
Pardon mevrouw hoe moet ik
het u
nu zeggen het valt niet uit te leggen
Het goot hij was ‘n beetje
vreemdgegaan
wat gevogeld met het buurmeesje dat in
vervlogen dagen naar bitterkoekjes rook
Hij zoent het paartje op de
brug de
tranen aan de hazelaar en de danspoes
die op hoge poten door het park gaat
Pardon mevrouw als ik u niet
ontrief
wat bent u mooi vannacht ik heb u lief
Vlootschouw
Acht deernen trachten achter
elkaar
acht bakfietsen echt banketbakkersijs
tegen windkracht acht de havendijk
omhoog te werken naar vijftigduizend
zich gezamenlijk aan twintig grijze
schepen in lijn vergapende dieren en
twee eenzame koeien op een
rij dromen
vierhonderd jaar aan elkaar over een
land dat vooral groots is in vers gras
©
Hypoliet Terwater
|
Duinpan
Mijn hand is een vreemdeling
dolend in de donzen rijkdom
van haar deinend landschap
mijn vingers lopen langzaam
langs geurende heidevelden
zelf ben ik allang verdwenen
‘Heb je mijn fiets op slot gezet?’
roept ze ergens ver van boven
Haar lichaam buigt voorover
ik staar in een bleke duinpan
boe gloep – boe gloep
hoor de eenzame roep
van hazen en konijnen
boe gloep – boe gloep
zie lijdzaam vlinders
en vogels verdwijnen
boe gloep – boe gloep
zie zwijgzaam vissen
adem na adem halen
boe gloep – boe gloep
Buiten hoor ik een misthoorn
de laatste veerboot komt aan
boe gloep – boe gloep
‘Mijn liefje hou je nog van mij?’
vraagt ze ergens ver van voren
boe gloep – boe gloep
Bariumkopersilicaat
Twee bariumkopersilicaatblauwe ogen
en lichtgespannen karmijnrode lippen
laten een allesverterende glimlach los
tere vingers strelen een glas dat wacht
Het is een vrouw het hoort beschaafd
mijn opgeblazen gebazel aan en stelt
weloverwogen soms geestige vragen
het zegt niet te veel en niet te weinig
Zij is vrij ze blaakt van zelfvertrouwen
en heeft alles waar ik alleen van droom
een baan een huis een ranke sportwagen
een gaaf gebit en een goddelijk lichaam
Ik ga naar de bar en neem nog een biertje
volmaakte vrouwen zijn dodelijk vervelend
Liefdesgedicht
Je bent als dauw op lover lommer
onder beuken de logge dook over
heide dampend bed de doom van
bodemloos verblijen
Als lammeren langs de dromer
paarden in het waardland laagtij
aan de gorzen strandlopertjes en
opgaan in de golven
Licht dat speelt in stras kobalt
in glas ivoren lavoren biggels
in de beek en regenbogen over
fluisterend arduin
Als het gerucht van wieken kikkers
aan het water zussen in de tram en
klagend staal het kwinkeleren van
de vogels bij dageraad
Een kleinodiënkistje met elke dag
een nieuwe lach mijn baken in de
nacht de zomerzoele deining in
het vedermossen hemelbed
Als de groengeladen lucht de zon
door het gespleten zwerk een botter
aan de kim de forse droppen van
een malse lenteregen
Maar ook bijten in radijs bloedrode
vleeskersen zelfgebakken appeltaart
lodderein zweet de zwangere geur
van dophei in de bloei
Of een stapel lege kratjes een iPod
in de plas Venus van albast een lade
vol met melkdoppen kroonkurken
builsluiters elastiekjes
Laarsjes
Als je onverwacht wakker
wordt in het lichaam van
het overbovenbuurmeisje
in een vreemd bed met een
vreemde man die je kust
waar je nooit bent gekust
dan ga je je wat afvragen
Wat zal ik aan gaan doen
bijvoorbeeld waar staan
mijn laarsjes of waarom
was het vannacht zo laat?
Als tot overmaat van ramp
de overbenedenbuurman
van wie je weet dat hij weet
wat jij weet aan de deur
staat en ook nog weet waar
jouw laarsjes staan dan
zet dat je aan het denken
Przewalskipaarden
-I-
Onder de donkere rhodondendrons
hervond ik mezelf weg van het feest
de lampions het palaver over niets
alleen in het licht van de vale maan
En opeens stond ze voor me in haar
scharlakenrode duffelse jas en vlijde
zich zonder aarzelen tegen mij aan
samen in het licht van de vale maan
Ben ik dit of ben ik dit niet?
‘Wat een mooie nacht’ zei ik
‘Marlène’ zei ze ‘aangenaam’
Mijn knieën knikten en mijn lijf
schudde als een sorteermachine
Ach nachtegalen
en eenzame uilen
haal adem tussen
zingen en huilen
-II-
Ik staarde in twee gitzwarte ogen
en verdween in een peilloze diepte
Vaag ontwaarde ik traagdravende
phtaloblauwe Przewalskipaarden
aan een onheilspellende hemel van
plastic phosphoriserende sterren
En een verdwaalde venusheuvel
in geduldig pruttelende modder
Of was het – aardappelpuree?
‘Zullen we gaan zoenen?’ zei ik
‘Nee’ zei ze ‘eerst ollekebolleke’
Ze praat als een raswififiel die
in het café met zijn muis speelt
Rabarber de barber
beent door de bocht
gerommel de trommel
staat op de tocht
-III-
Twee zoenklare kraplakrode lippen
leken haar gelaat te verlaten klaar
om plotsklaps aan te vallen dicht te
klappen als een venusvliegenvanger
Langzaam werd ik opgezogen traag
verteerd en even willoos afgezonken
Lippen lippen lippen
tien pond rond tien
pond rood tien pond
water aan de mond
Waar – waar was ik gebleven?
‘Wat ben je toch mooi’ zei ik
‘Waar denk je aan?’ vroeg ze
Hier stond ‘Deze vraag is dodelijk’
mijn hand viel verlamd in het gras
-IV-
Mijn gedachten zaten bij de tweelingenparadox
Mersennepriemgetallen en Goejanverwellesluis
vrolijk togen ze van het Antikytheramechanisme
naar de Rasumovskykwartetten van Beethoven
èn – de poëzie in haar broekje
‘Waar denk je aan?’ vroeg ze
‘Oef’ zei ik ‘aan – paarden en
aardappelpuree – èn aan jou!’
Dromenkadaver
armzalig palaver
tocht in het rond
hou toch je mond
Ze lachte en keek me vertederd aan
maar in het morion van haar ogen
was de magische glans verdwenen
en ik ik kon de poëzie wel vergeten
Speelgoed
Zij schrobt haar speelgoed
over zijn verweerd gezicht
hij snakt vergeefs naar adem
vraagt zich af waar hij is
Hij ligt verslagen onder
een schier eindeloze trein
de mensheid raast voorbij
tadìng tadìng tadìng
honderdtwee containers
dood geluk verdwijnen
spoorloos in de nacht
tadìng tadìng tadìng
|